ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na afwijzing tijdelijk passend werk
Appellante was werkzaam als coördinator/sociaal verpleegkundige en haar arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 april 2004. Na haar ontslag vroeg zij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij aangeboden tijdelijke functies niet had aanvaard. Het UWV stelde dat het weigeren van passend werk vanwege de tijdelijke duur geen geldige reden is volgens de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Herplaatsingsreglement van de werkgever geen rechtvaardigingsgrond biedt voor het weigeren van tijdelijk passend werk. Appellante stelde in hoger beroep dat een blijvend geheel weigeren van de uitkering een te zware sanctie is en dat een tijdelijke maatregel passend zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de aangeboden functies passend waren en dat het weigeren daarvan zonder geldige reden verwijtbaar is. De Raad vond de omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg om af te wijken van de wettelijke sanctie van blijvende weigering. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens het weigeren van tijdelijk passend werk.