ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5378

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-146 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 57 lid 4 WAO
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens ontbreken dringende reden

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het terugvorderingsbesluit van een onverschuldigde WAO-uitkering vernietigde. De rechtbank oordeelde dat niet was onderzocht of sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO, waardoor het terugvorderingsbesluit in strijd was met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het UWV stelde in hoger beroep dat de verplichting tot onderzoek naar dringende redenen slechts geldt indien de betrokkene hier expliciet een beroep op doet of er omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. In deze zaak was geen beroep gedaan en waren geen omstandigheden die een dergelijk onderzoek rechtvaardigden. De Raad onderschreef dit standpunt en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep gegrond en het beroep van de betrokkene ongegrond, waarmee het terugvorderingsbesluit in stand bleef. De Raad benadrukte dat de onderzoeksplicht naar dringende redenen beperkt is en afhankelijk van het handelen van de betrokkene en de omstandigheden van het geval.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit blijft in stand.

Uitspraak

05/146 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 december 2004, 04/702 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 15 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.L. Turnhout. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij beslissing op bezwaar van 6 januari 2004 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2003 gegrond verklaard. Voorts heeft appellant besloten de aan betrokkene onverschuldigd uitbetaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) over de periode van 27 december 2002 tot en met 31 januari 2003 terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 973,32 bruto.
De rechtbank heeft het beroep tegen bovenvermeld besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn gevonden voor het oordeel dat de uitbetaalde WAO-uitkering over voornoemde periode en tot het bedrag van € 973,32 zoals genoemd in het bestreden besluit, niet onverschuldigd is gedaan.
Niettemin heeft de rechtbank het bestreden terugvorderingsbesluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken was of appellant had onderzocht of zich een dringende reden voordeed in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft in zijn hoger beroepschrift daartoe het volgende aangevoerd:
“(…) Blijkens de jurisprudentie van uw Raad (RSV 2005/264) dient de dringende reden als bedoeld in artikel 57 lid 4 WAO Pro blijkens de wetsgeschiedenis beperkt te worden opgevat en dient de betrokkene nadrukkelijk een beroep te doen op het aanwezig zijn van dringende redenen (RSV 2002/133). Slechts indien daartoe aanleiding bestaat is er een onderzoeksplicht voor het uitvoeringsorgaan naar het bestaan van dringende redenen (RSV 2002/167). In de onderhavige zaak is door de [appellant] geen beroep gedaan op het aanwezig zijn van dringende redenen. Naar het oordeel van ondergetekende bestond er ook geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek naar het aanwezig zijn van dringende redenen. In dit verband acht ondergetekende de beperkte (lees: omvang) van het terug te vorderen bedrag van belang, alsmede het feit dat de [appellant] in ieder geval ten tijde van belang full time werkzaam was.
Van omstandigheden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat het besluit tot terugvordering zou kunnen leiden tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen was naar het oordeel van ondergetekende geen sprake. Zoals vermeld kan ondergetekende zich daarom niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank”.
De Raad onderschrijft de strekking van dit betoog dat op appellant bij de voorbereiding van een terugvorderingsbesluit als in het onderhavige geval alleen dan een verplichting rust te onderzoeken of er sprake is van een dringende reden, indien door de betrokkene een beroep wordt gedaan op het bestaan van een dringende redenen of indien van omstandigheden blijkt die op de aanwezigheid van zo’n uitzonderlijk geval kunnen duiden.
Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat betrokkene een dergelijk beroep heeft gedaan. Evenmin is van enige omstandigheid gebleken die voor appellant mogelijkerwijs aanleiding had kunnen zijn om het bestaan van een dringende reden te onderzoeken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
De uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) L.H. Vogt.