ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit verlaging bijstandsuitkering wegens onjuiste berekening duur maatregel
Appellante woont sinds oktober 2002 met haar twee kinderen in een verbouwde woonruimte bij haar ouders, na een verstoorde relatie met haar gewezen echtgenoot. Na verkoop van de echtelijke woning ontving zij een bedrag uit de boedelverdeling en deed zij een aanvraag voor bijstand. Het College van B&W kende bijstand toe maar verlaagde deze met 20% vanwege onverantwoorde intering op vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank de wettelijke normen niet juist heeft toegepast. De Raad stelt vast dat de duur van de maatregel gebaseerd is op een te lange theoretische interingsperiode, doordat het College ten onrechte een te lage toeslag hanteerde bij de berekening.
De Raad bevestigt dat appellante een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond door snel op haar vermogen in te teren vlak voor de aanvraag van bijstand. De hoogte van de maatregel is passend, maar de duur moet worden aangepast. Het besluit wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens een te lange duur van de maatregel en het College moet een nieuw besluit nemen.