ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking bijstandsuitkering wegens termijnoverschrijding
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 6 april 2001 waarbij zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 maart 2001 werd ingetrokken wegens onduidelijkheid over zijn woonsituatie.
Het College verklaarde het bezwaar van 14 juli 2003 niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaarperiode. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het besluit op correcte wijze was bekendgemaakt en dat er geen verschoonbare omstandigheden waren voor de termijnoverschrijding.
Appellant stelde dat een eerder bezwaar van 14 mei 2001 tegen het niet-uitbetalen van de uitkering ook als bezwaar tegen de intrekking moest worden beschouwd, en dat het bezwaar van juli 2003 een aanvulling daarop was. De Raad oordeelde echter dat het bezwaar van mei 2001 niet gericht was tegen het intrekkingsbesluit van april 2001.
Daarom was het bezwaar van juli 2003 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de bijstandsuitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.