ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en belastbaarheid na chloorincident met psychische klachten
Appellant kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, na een incident waarbij een collega chloor in zijn koffie deed. Hoewel appellant geen lichamelijke klachten overhield, stelde een psychiater een posttraumatische stressstoornis vast. De rechtbank oordeelde dat appellant arbeid kon verrichten binnen zijn beperkingen.
In hoger beroep werd aanvullend medisch onderzoek verricht, waarbij meerdere psychiaters en artsen rapporten indienden. De Raad vroeg een onafhankelijke deskundige, psychiater Soeters, om advies. Deze concludeerde dat de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld en dat er geen sprake was van een specifieke angststoornis of posttraumatische stressstoornis.
De Raad volgde het oordeel van Soeters en verwierp de bezwaren van appellant en zijn medisch adviseur. Ook de door appellant aangedragen psychische diagnoses en jeugdtrauma's leidden niet tot een ander oordeel. De functies die appellant geacht werd te kunnen vervullen, zijn in overeenstemming met zijn beperkingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.