ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.Th. Wolleswinkel
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inhouding pensioenpremies en pseudo-premies WW bij beëindiging ambtelijke dienst
Appellant, voormalig ambtenaar ontslagen per 1 januari 1993, verzocht om stopzetting en restitutie van inhoudingen van pensioen- en werkloosheidspremies op zijn uitkering. De minister wees dit af, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen.
De Raad stelt vast dat de inhouding van de pseudo-premie WW op grond van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP correct is toegepast. Appellant stelde dat zijn uitkering een ontslaguitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden was, maar de Raad oordeelt dat dit niet het geval is omdat het ontslag op andere gronden plaatsvond. De inhouding van de pseudo-premie WW kan daarom niet worden gestopt of terugbetaald.
Ten aanzien van de pensioenpremies (ouderdoms-, nabestaanden- en invaliditeitspensioen) overweegt de Raad dat sinds de privatisering van het ABP per 1 januari 1996 de pensioenverhouding privaatrechtelijk is geworden. De inhouding van deze premies is derhalve geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en het bezwaar is niet-ontvankelijk. Het besluit van 3 augustus 2005 wordt vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor een bedrag van €18,34. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover het bezwaar over de pseudo-premies WW betreft.
Uitkomst: De inhouding van pensioenpremies is privaatrechtelijk en het bezwaar niet-ontvankelijk; de inhouding van pseudo-premies WW is terecht toegepast en kan niet worden stopgezet.