ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling terugvordering bijstand na verblijf in buitenland
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstand over de periode van november 1998 tot april 2000, omdat hij zonder melding in het buitenland verbleef. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures legde het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam een betalingsverplichting op en legde beslag op de WAO-uitkering van appellant. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant deels niet-ontvankelijk en ongegrond.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep vast dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld over de ontvankelijkheid en de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De Raad oordeelt dat het beroep ontvankelijk is en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan door het College die gerechtvaardigde verwachtingen bij appellant hebben gewekt.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De zaak behoeft geen nadere behandeling door de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.