ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1989 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Uit onderzoek van het UWV bleek dat appellant vermoedelijk van 1998 tot september 2001 werkzaam was als reclamemedewerker en hiervoor loon ontving, zonder dit aan het UWV te melden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij samen met zijn zoon substantieel de werkzaamheden verrichtte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door de ziekte van Huntington niet kon werken en dat de rechtbank getuigenverklaringen verkeerd had geïnterpreteerd. Hij overhandigde een arrest waarin hij in een strafzaak werd vrijgesproken, omdat hij geen arbeidscontract had. De Raad overwoog echter dat het ontbreken van een arbeidscontract niet uitsluit dat tegen betaling arbeid is verricht.
De Raad hechtte waarde aan verklaringen van appellant, zijn zoon, ex-echtgenote en derden die bevestigen dat appellant actief was in de reclamewerkzaamheden en hiervoor een vergoeding ontving. De Raad concludeerde dat appellant onterecht WAO-uitkering heeft ontvangen terwijl hij inkomsten uit arbeid had. Terugvordering is verplicht volgens artikel 57 WAO Pro, en het lijden aan een ernstige ziekte vormt geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering bevestigd.