ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek verblijf buitenland met behoud van bijstandsuitkering zonder dringende redenen
Appellante, geboren in 1949, ontving een bijstandsuitkering volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende haar toestemming voor verblijf in het buitenland met behoud van uitkering van 1 tot 28 februari 2005, maar weigerde dit voor de periode daarna.
Appellante verzocht om verlenging van deze toestemming voor verblijf in Suriname tot 1 mei 2005, maar het College wees dit af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er dringende redenen waren die een langer verblijf met behoud van uitkering rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 13 WWB Pro bijstand wordt geweigerd bij verblijf langer dan vier weken buiten Nederland, tenzij men 57,5 jaar of ouder is en aan bepaalde voorwaarden voldoet. Appellante was jonger dan 57,5 jaar en niet geheel ontheven van haar verplichtingen, zodat zij niet in aanmerking kwam voor de langere termijn.
Verder vond de Raad geen aanwijzingen voor zeer dringende redenen zoals een acute noodsituatie die het College zouden hebben moeten bewegen tot een ruimere toestemming. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere uitspraken geen bindende toezeggingen bevatten.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om verblijf in het buitenland met behoud van bijstand langer dan de toegestane periode wordt afgewezen.