ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na instemming met ontslag
Appellante was sinds oktober 2001 werkzaam als interieurverzorgster bij een werkgever. In mei 2003 gaf zij telefonisch aan te willen stoppen met werken, waarna de werkgever haar laatste werkdag op 9 mei 2003 stelde. Appellante stelde zich daarna niet beschikbaar voor werk en leverde haar sleutels in. Op 11 september 2003 verzocht de werkgever de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, die op 15 september 2003 werd uitgesproken zonder vergoeding.
Appellante betwistte de beëindiging en stelde zich beschikbaar voor werk, maar stemde uiteindelijk in met het ontbindingsverzoek. Het UWV weigerde haar WW-uitkering omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden door actief of passief mee te werken aan haar ontslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellante door haar houding vanaf mei 2003 de arbeidsverhouding verstoorde en daarmee verwijtbaar heeft gehandeld. Hierdoor was het UWV terecht gehouden de WW-uitkering blijvend te weigeren. Verzoek tot matiging van de maatregel werd afgewezen en proceskosten werden niet toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.