ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over intrekking herziening WAO-uitkering wegens ontbreken procesbelang
Appellante had beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te verlagen naar 65-80%. Tijdens de procedure trok het UWV dit besluit in en stelde de uitkering per 15 april 2002 ongewijzigd op 80% of meer vast. De rechtbank oordeelde dat appellante hierdoor geen materieel procesbelang meer had bij vernietiging van het oorspronkelijke besluit, maar wel een formeel belang bij vergoeding van schade.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 7 januari 2003 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten. In hoger beroep herhaalde appellante haar grieven en verzocht om heropening van het onderzoek, wat door de Raad werd afgewezen wegens voldoende informatie uit de stukken.
De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en verwees naar vaste jurisprudentie dat bij een besluit tot toekenning van een volledige WAO-uitkering het procesbelang ontbreekt. Tevens werd opgemerkt dat kosten van een expertise van vóór het primaire besluit niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond wegens ontbreken van materieel procesbelang.