ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 2 september 2002 een WW-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het UWV een strafrechtelijk onderzoek wegens mogelijke uitkeringsfraude, gericht op werkzaamheden die appellant zou hebben verricht bij een bedrijf. Het UWV herzag daarop het recht op uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug over de periode van 1 april 2003 tot en met 29 februari 2004. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of de verrichte werkzaamheden als zodanig in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW moesten worden beschouwd, of appellant aan zijn inlichtingenplicht had voldaan, en of de strafrechtelijke vrijspraak gevolgen had voor de bestuursrechtelijke procedure. De Raad bevestigde dat de werkzaamheden economisch verkeer betroffen met het oog op geldelijk voordeel, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn werkzaamheden aan het UWV had gemeld. De strafrechtelijke vrijspraak was niet doorslaggevend vanwege de verschillende bewijsvereisten in straf- en bestuursrecht.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en bevestigde deze. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Hiermee blijft de intrekking van de WW-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden wordt bevestigd.