ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na weigering passende functie
Appellant diende op 19 maart 2004 een aanvraag in voor een WW-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de uitkering bij besluit van 7 april 2004 blijvend geheel af, omdat appellant een passende functie had geweigerd en daardoor verwijtbaar werkloos was. De rechtbank ’s-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de aangeboden functie als passend moest worden aangemerkt.
Appellant stelde in hoger beroep dat de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst niet wegens disfunctioneren maar wegens gewijzigde omstandigheden was en betwistte de passendheid van de aangeboden functie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellant passende arbeid had geweigerd en dat het bestreden besluit op een juiste wettelijke grondslag berustte.
De Raad concludeerde dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had verkregen en dat er onvoldoende medische gronden waren om van het opleggen van de maatregel af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.