ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- H.G. Rottier
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van oordeel dat appellant niet meer ongeschikt is voor zijn arbeid
Appellant, voormalig tegelzetter, ontving sinds 1984 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Per 11 maart 2002 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Na een verzoek om heronderzoek in januari 2003 werd vastgesteld dat zijn beperkingen ongewijzigd waren. In augustus 2003 meldde appellant zich ziek met toegenomen klachten, maar een onderzoek in september 2003 door een verzekeringsarts concludeerde dat er geen significante toename van beperkingen was en dat appellant geschikt bleef voor de eerder vastgestelde functies.
Het UWV weigerde vanaf 20 oktober 2003 verdere ziekengelduitkering. Appellant maakte bezwaar, maar een bezwaarverzekeringsarts bevestigde het eerdere oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de rechtbank de juiste maatstaf hanteerde en dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een toename van beperkingen rond 20 oktober 2003.
De Raad benadrukt dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de functies die aan appellant waren voorgehouden bij de WAO-herbeoordeling van 2002. Omdat appellant voor deze functies geschikt werd geacht, is hij niet ongeschikt voor zijn arbeid. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant sinds 20 oktober 2003 geschikt is voor zijn arbeid.