ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting over twee perioden
Appellante ontving bijstand tot februari 2001 en werd door het College van B&W Amsterdam teruggevorderd wegens het niet melden van een nieuwe huurwoning en het niet verstrekken van juiste informatie over haar inkomsten. De intrekking betrof twee perioden: 1 juli 1997 tot 1 oktober 1997 en 1 oktober 1997 tot 31 januari 2001.
De Raad oordeelde dat appellante in de eerste periode inkomsten uit arbeid had en dit niet had gemeld, waardoor het College terecht de bijstand kon intrekken. Voor de tweede periode was de feitelijke grondslag voor intrekking onvoldoende, omdat het College het standpunt over inkomsten uit arbeid had laten varen. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor het besluit vernietigd werd.
Desondanks werd de terugvordering over de tweede periode gehandhaafd vanwege de evidente schending van de inlichtingenverplichting door appellante, die onder meer een huurwoning met hoge huurprijs niet had gemeld en geen controleerbare gegevens over ontvangen giften had verstrekt. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: De intrekking van bijstand over 1 oktober 1997 tot 31 januari 2001 wordt vernietigd, maar de terugvordering blijft gehandhaafd vanwege schending van de inlichtingenverplichting.