ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herroeping weigering WW-uitkering wegens onvoldoende bewijs verwijtbaar werkloos
Appellant, werkzaam bij een werkgever sinds 1995, werd op staande voet ontslagen wegens vermeende diefstal van € 20,-- en ander verwijtbaar gedrag. Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering met ingang van 1 december 2004, omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de weigering.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV zich uitsluitend baseerde op verklaringen van de werkgever zonder zelfstandig onderzoek en dat hij geen inzage kreeg in de dagstaat en videobeelden die zijn onschuld konden aantonen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat appellant zich schuldig had gemaakt aan diefstal of verwijtbaar gedrag, mede omdat appellant niet de kans had gekregen de bewijsmiddelen in te zien en omdat hij na het incident nog enige tijd doorwerkte.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het besluit van 15 december 2004 en bepaalt dat het UWV opnieuw op de aanvraag moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.