ECLI:NL:CRVB:2006:AY9951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering op basis van zelfstandige uren niet voldoende onderzocht
Appellant ontving een WW-uitkering en nam deel aan een experiment waarbij inkomsten uit zelfstandige arbeid deels werden verrekend met de uitkering. Na afloop van het experiment beëindigde het UWV de WW-uitkering gedeeltelijk op grond van een werkbriefje waarop appellant twintig uur zelfstandige arbeid had opgegeven. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV terecht uitging van de eigen opgave van appellant.
In hoger beroep betwist appellant dat hij daadwerkelijk twintig uur had gewerkt en overlegt boekhoudkundige stukken waaruit blijkt dat hij slechts zeven uur en vijfenveertig minuten werkte. Het UWV handhaafde haar standpunt, stellende dat de eigen opgave op het werkbriefje leidend is, en subsidiair dat uit andere stukken blijkt dat appellant minstens acht uur en vijfenveertig minuten werkte.
De Raad oordeelt dat het UWV had moeten onderzoeken of de opgave op het werkbriefje overeenkomt met de feiten, zeker gezien de toevoeging 'verspreid over 3 dagen' en de onwaarschijnlijkheid dat werkzaamheden altijd binnen één kalenderweek plaatsvinden. Omdat het UWV dit onderzoek niet heeft verricht, heeft het gehandeld in strijd met de Awb. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de WW-uitkering op basis van twintig gewerkte uren als zelfstandige wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.