ECLI:NL:CRVB:2006:AY9762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op kinderbijslag voor in Marokko verblijvende kinderen en onderhoudseis
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen die in Marokko wonen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering vanaf het vierde kwartaal 2001 omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de kinderen in belangrijke mate had onderhouden. Appellant stelde dat hij wel betalingsbewijzen had overgelegd en dat hij al vanaf het vierde kwartaal 1999 recht wilde hebben op kinderbijslag.
De Svb kende uiteindelijk kinderbijslag toe voor een deel van de periode en voor één kind dat sinds 1997 in Nederland woont. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het deel van de uitspraak dat betrekking had op het recht op kinderbijslag van het derde kwartaal 2002 tot en met het derde kwartaal 2003 vanwege procedurele onjuistheden en stuurde dit terug als bezwaar.
De Raad bevestigde dat de Svb terecht het recht op kinderbijslag pas vanaf het eerste kwartaal 2001 heeft beoordeeld, omdat geen sprake was van een bijzonder geval. Ook oordeelde de Raad dat appellant niet op eenvoudig controleerbare wijze had aangetoond zijn kinderen te hebben onderhouden, omdat ontvangstbevestigingen ontbraken en betalingen via derden niet volstonden.
De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed. De overige delen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant niet heeft aangetoond zijn kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden en dat het recht op kinderbijslag terecht pas vanaf het eerste kwartaal 2001 is beoordeeld.