ECLI:NL:CRVB:2006:AY9751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over het niet herkrijgen van werknemerschap wegens voortzetting zelfstandige werkzaamheden
Appellant was werkzaam als zelfstandige na het faillissement van zijn werkgever en ontving tot 10 december 2002 een WW-uitkering. Vanaf die datum verrichtte hij werkzaamheden via zijn eigen onderneming. Toen duidelijk werd dat de opdracht zou eindigen, vroeg hij op 12 mei 2004 een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant zijn zelfstandige werkzaamheden niet volledig had beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant bewust de mogelijkheid openhield om zijn zelfstandige werkzaamheden voort te zetten, onder meer doordat hij zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel handhaafde en zijn echtgenote als bestuurder aanstelde. Ook al was hij niet actief, was er geen volledig einde van de zelfstandige activiteiten.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het eerdere besluit, omdat het geschil volledig wordt beoordeeld op het latere besluit van 18 augustus 2006.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij zijn zelfstandige werkzaamheden niet volledig heeft beëindigd.