ECLI:NL:CRVB:2006:AY8381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onjuiste beoordeling gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Arnhem trok de bijstand over de periode 1 februari 1998 tot 23 mei 2003 in, omdat appellant volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met zijn echtgenote, ondanks dat zij duurzaam gescheiden zouden leven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College voor de periode tot 14 september 1998 onterecht het criterium gezamenlijke huishouding toepaste in plaats van duurzaam gescheiden leven. Voor de periode daarna was de feitelijke situatie onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn echtgenote.
De Raad vernietigt het besluit van 6 april 2005 en beveelt het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan het verzoek om vergoeding van kosten en eventuele renteschade. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.