ECLI:NL:CRVB:2006:AY7043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na onvoldoende verweer tegen ontslag
Appellant vroeg op 19 april 2004 een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door onvoldoende verweer tegen zijn ontslag. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat een inhoudelijk verweer waarschijnlijk geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst had voorkomen, omdat de arbeidsrelatie verstoord was en hij gunstigere voorwaarden had bedongen via onderhandelingen.
De Raad overwoog dat verwijtbare werkloosheid ook ziet op situaties waarin de werknemer onnodig meewerkt aan beëindiging van het dienstverband. De Raad concludeerde dat niet zonder meer kon worden aangenomen dat verweer succesvol zou zijn geweest, mede gelet op klachten over functioneren en de gunstige voorwaarden van de ontbindingsovereenkomst. Het UWV had onvoldoende duidelijk gemaakt hoe de kantonrechter het verweer zou hebben meegewogen.
Daarom was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en diende het te worden vernietigd. De Raad vernietigde ook de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor hernieuwde beslissing. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beslissing.