ECLI:NL:CRVB:2006:AY6921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand en afwijzing verjaring vorderingen bedrijfskapitaal en levensonderhoud
Appellant ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) in de vorm van een rentedragende lening voor bedrijfskapitaal en bijstand voor levensonderhoud. Het College van burgemeester en wethouders van Dordrecht vorderde later terugbetalingen wegens niet-nakoming van verplichtingen en bedrijfsbeëindiging.
Appellant stelde in hoger beroep dat de vorderingen verjaard waren en dat bezwaar tegen het totaalbedrag ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad oordeelde dat de vorderingen niet verjaard waren omdat de verjaringstermijnen waren gestuit door schriftelijke aanmaningen en erkenning van schuld, waaronder een gesprek en een brief uit 1999.
De Raad bevestigde dat de vordering tot terugbetaling van het bedrijfskapitaal al per 1 juli 1998 opeisbaar was en dat de verjaringstermijn van vijf jaar op dat moment begon, maar werd gestuit door latere handelingen. Ook de terugvorderingen van bijstand voor levensonderhoud waren niet verjaard, mede doordat appellant bezwaar maakte tegen het besluit van 17 februari 1999.
Het bezwaar tegen het besluit van 1 september 2003 werd terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat dit geen besluit met rechtsgevolg was. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van schade of proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Dordrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het beroep op verjaring af.