ECLI:NL:CRVB:2006:AY5107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Betalingsonmacht werkgever en overneming loonbetalingsverplichting door UWV
Appellant werd op 1 september 2003 ontslagen door zijn werkgever, die binnen 26 weken geen vergelijkbare werkzaamheden mocht uitbesteden zonder deze eerst aan appellant aan te bieden. Appellant hervatte zijn werkzaamheden op 20 oktober 2003, maar ontving geen loon over de periode van 1 september tot 19 oktober 2003. Na een kort geding werd de werkgever veroordeeld tot betaling van dit loon en proceskosten.
Het UWV nam de loonbetalingsverplichtingen van de werkgever over vanaf 1 januari 2004, maar weigerde de periode van 1 september tot 19 oktober 2003 over te nemen, omdat die vóór de faillissementsdatum lag. Appellant stelde dat de betalingsonmacht van de werkgever al vóór het faillissement was ingetreden en dat het UWV onterecht geen onderzoek had gedaan naar de datum van betalingsonmacht.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de betalingsonmacht vóór het faillissement was ingetreden. Wel stelde de Raad vast dat het loon over de periode 1 september tot 19 oktober 2003 opeisbaar was en dat het UWV dit loon alsnog moest overnemen, beperkt tot het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 945. Proceskosten vielen buiten de referteperiode en werden niet overgenomen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen conform deze uitspraak.
Uitkomst: Het UWV moet het achterstallig loon over 1 september tot 19 oktober 2003 overnemen en het besluit wordt vernietigd.