ECLI:NL:CRVB:2006:AY4985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding volgens Algemene nabestaandenwet
Appellante ontving een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot, welke op 1 juli 1996 werd omgezet van weduwenpensioen naar nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde op basis van onderzoek vast dat appellante op de peildata 1 juli 1996 en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met een derde, wat volgens artikel 67, derde lid, van de Anw leidt tot een verlaging van de uitkering tot 30% van het bruto-minimumloon.
De Svb herzag de uitkering en vorderde een bedrag van €41.948,93 terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde op de relevante data en dat niet alle stukken ter inzage waren gelegd. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat appellante haar bezwaar tegen de brief waarin de terugvordering werd aangekondigd niet had gehandhaafd en dat de Svb terecht had besloten tot terugvordering. Verder stelde de Raad vast dat appellante en de derde op de peildata een gezamenlijke huishouding voerden, mede op basis van verklaringen en administratieve gegevens zoals waterverbruik.
De Raad wees erop dat appellante en de derde op 1 juli 1996 als gehuwden werden gelijkgesteld en dat op 31 december 1997 het hoofdverblijf in dezelfde woning bepalend was voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. De conclusie was dat de verlaging van de nabestaandenuitkering terecht was en dat de aangevallen uitspraak bevestigd kon worden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de nabestaandenuitkering en wijst het hoger beroep af.