ECLI:NL:CRVB:2006:AY4925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onjuiste woonsituatie
Appellant ontving sinds 2002 een bijstandsuitkering in de gemeente ’s-Gravenhage. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant niet op het opgegeven adres woonde, voerde de gemeente een onderzoek uit, waarbij een huisbezoek plaatsvond en de hoofdbewoonster verklaarde dat appellant het adres slechts als postadres gebruikte.
Het College beëindigde de bijstand per 1 juni 2003, trok het recht op bijstand over de periode daarvoor in en vorderde de kosten terug. Tevens werd een boete opgelegd. De bezwaren van appellant werden aanvankelijk ongegrond verklaard, maar later werd de boete verlaagd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dit voor zover het de boete betrof wegens gebrek aan belang en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting niet was nagekomen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en bevestigde de beëindiging, intrekking en terugvordering. De boete werd terecht verlaagd tot € 218,30. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bijstand wordt beëindigd, ingetrokken en teruggevorderd wegens onjuiste woonsituatie; de boete wordt verlaagd en het beroep tegen de boete is niet-ontvankelijk verklaard.