ECLI:NL:CRVB:2006:AY4143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgeldigheid proeftijdbeding en ontslag bij arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
De zaak betreft een geschil over de rechtsgeldigheid van een proeftijdbeding en het ontslag van een werknemer die in dienst was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werknemer werd ontslagen zonder vergunning van het Centrum voor Werk en Inkomen, waarna het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de WW-uitkering over een bepaalde periode introk en terugvorderde.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk een schriftelijk overeengekomen proeftijdbeding van een maand bestond tussen werknemer en werkgever, en dat het ontslag daarom rechtsgeldig was. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de brief van 29 november 2002, waarin de proeftijd werd bevestigd, als rechtsgeldig proeftijdbeding geldt. Ook de latere brief van 14 januari 2003 bevestigt deze afspraak.
De Raad wijst het standpunt van het UWV af dat er geen rechtsgeldige proeftijd was en dat het ontslag onrechtmatig was. Het hoger beroep van het UWV wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.