ECLI:NL:CRVB:2006:AY4136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vertrouwensbreuk
Appellant was sinds 1987 in dienst bij zijn werkgever en kreeg in februari 2004 een disciplinaire maatregel vanwege valselijk invullen van een vrachtbrief en schending van bedrijfsafspraken. Na een nieuw incident in april 2004 waarbij appellant een telefoonhaspel meenam en pas na meerdere gesprekken openheid van zaken gaf, werd hij op non-actief gesteld en ontbonden zijn arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2004.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze blijvend omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant had moeten voorzien dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden, mede gezien zijn eerdere disciplinaire maatregel.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij in paniek handelde en niet de intentie had iets te stelen, en dat hij niet had kunnen voorzien dat het incident tot ontslag zou leiden. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het niet onmiddellijk openbaren van het incident verwijtbaar is, zeker gezien de eerdere waarschuwing. De Raad vond onvoldoende bewijs voor een aanhoudende paniekreactie.
De Raad bevestigde de weigering van de WW-uitkering en wees een vergoeding van proceskosten af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na vertrouwensbreuk.