ECLI:NL:CRVB:2006:AY3778
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 1988. Na verhuizing in 2003 ontstond het vermoeden dat zij samenwoonde met een partner, waarop een onderzoek werd ingesteld. Dit onderzoek, inclusief huisbezoeken en getuigenverklaringen, leidde tot de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 15 januari 2003, welke niet aan het College was gemeld.
Het College beëindigde daarom per 1 januari 2004 het recht op bijstand en trok de bijstand over de periode vanaf 15 januari 2003 tot 1 januari 2004 in, met terugvordering van €14.415,26. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet samenwoonde, maar de Raad onderschreef de eerdere bevindingen en oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de wettelijke bepalingen.
De Raad bevestigde dat appellante niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden aangemerkt en dat het College terecht de bijstand beëindigde en terugvorderde. Ook werd de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.