ECLI:NL:CRVB:2006:AY2630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ontzegging WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding
Appellant was algemeen directeur bij een bedrijf en werd werkloos per 1 oktober 2002. Hij verrichtte daarna interim-werkzaamheden bij een ander bedrijf via zijn eigen stamrecht-BV. Het UWV ontzegde hem een WW-uitkering omdat hij niet als werknemer werd beschouwd wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn zelfstandige werkzaamheden had beëindigd en dus geen werknemer was. In hoger beroep stelde appellant dat het primaire geschil was of er überhaupt sprake was van een werknemer-werkgeverrelatie.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke omstandigheden van de werkzaamheden en dat de enkel overgelegde overeenkomsten onvoldoende waren om te concluderen dat appellant als zelfstandige werkte. Daarom werd het besluit vernietigd en het UWV opgedragen nieuw onderzoek te doen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot ontzegging van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek.