Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AX9280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/6278 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening bij UWV

Appellant stelde bezwaar tegen een besluit van het UWV, maar diende dit te laat in. Het bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Appellant voerde aan dat het bezwaar op 27 mei 2003 was verzonden, maar het UWV ontving dit niet. De rechtbank oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat het bezwaar tijdig was verzonden en verwierp het beroep.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad benadrukte dat het op de appellant rust om aan te tonen dat het bezwaar tijdig is verzonden, vooral omdat het niet aangetekend was verzonden en niet bij het UWV was ontvangen. De verklaring van de voormalige accountant van appellant was onvoldoende bewijs voor tijdige verzending.

Verder oordeelde de Raad dat het UWV terecht had afgezien van het horen van appellant op grond van artikel 7:3 Awb Pro, gezien de inhoud van het bezwaarschrift. Er was ook geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het hoger beroep werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

05/6278 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 september 2005, 05/508
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep doen instellen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A Soer.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 13 januari 2005 (het bestreden besluit) waarbij hij het bezwaar tegen zijn besluit van 25 april 2003 wegens de te late indiening niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het Uwv heeft zijn besluit op 25 april 2003 bekend gemaakt. Bij brief van 1 oktober 2004 is namens appellant bij het Uwv geïnformeerd naar de afhandeling van een bezwaarschrift dat door hem op 27 mei 2003 zou zijn verzonden. Dat bezwaarschrift heeft het Uwv niet bereikt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift van appellant niet tijdig is ingediend, nu niet is gebleken dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het Uwv binnen de in artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn van één week heeft bereikt.
Evenmin is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De brief van
27 mei 2003 is niet aangetekend verzonden en bij het Uwv niet ontvangen. Naar vaste rechtspraak ligt het daarom op de weg van appellant om aan te tonen dat verzending heeft plaatsgevonden en komt het voor zijn risico als niet kan worden aangetoond dat het poststuk daadwerkelijk is verzonden. Naar het oordeel van de Raad is de ter zitting van de rechtbank door de voormalige accountant van appellant afgelegde verklaring dat hij op
27 mei 2003 bezwaar heeft gemaakt ontoereikend om aan te nemen dat de brief van
27 mei 2003 daadwerkelijk per post is verzonden.
De rechtbank heeft terecht de beroepsgrond verworpen dat het Uwv artikel 7:2 van Pro de Awb heeft geschonden. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, kon het Uwv naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb afzien van het horen van appellant.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van de Vos als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.
D.J. van der Vos.
J.P. Mulder.
BKH 310506