ECLI:NL:CRVB:2006:AX6488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf buiten Nederland bevestigd
Appellante, woonachtig in België, stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van haar WW-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het geschil betrof de vraag of haar recht op WW-uitkering terecht was beëindigd omdat zij op de relevante datum buiten Nederland verbleef.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij op basis van redelijkheid en billijkheid in aanmerking zou moeten komen voor de grensarbeidersregeling, zodat haar WW-uitkering vanuit Nederland kon worden voortgezet. Zij stelde dat zij begin 2002 geïnformeerd was dat een WW-uitkering zou worden uitbetaald indien zij beschikbaar bleef voor de Nederlandse arbeidsmarkt, en dat zij op die grond in België verplichtingen was aangegaan.
De Raad oordeelde dat het Nederlandse recht en de EG Verordening 1408/71 dwingendrechtelijke bepalingen bevatten die geen ruimte laten voor een afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat het recht op WW-uitkering per 15 juli 2003 is geëindigd omdat appellante buiten Nederland woont en niet als grensarbeider kan worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat geen sprake was van een in rechte te honoreren toezegging door het UWV die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WW-uitkering van appellante is terecht beëindigd vanwege haar verblijf buiten Nederland.