ECLI:NL:CRVB:2006:AX5762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door weigering contractverlenging
Appellant werd door het UWV de WW-uitkering geweigerd omdat hij geen verlenging van zijn contract voor bepaalde tijd wilde accepteren, waardoor hij verwijtbaar werkloos werd geacht. Na bezwaar en hoorzitting handhaafde het UWV dit standpunt in het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad stelt vast dat de werkgever appellant een nieuw contract voor zes maanden heeft aangeboden, wat appellant had moeten aanvaarden om werkloosheid te voorkomen. De door appellant aangevoerde omstandigheden en zijn vertrouwen in een contract voor onbepaalde tijd rechtvaardigen volgens de Raad het weigeren van het aanbod niet.
De Raad concludeert dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en daarmee verwijtbaar werkloos is in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Werkloosheidswet. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door het niet aanvaarden van de contractverlenging.