ECLI:NL:CRVB:2006:AX3058

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3518 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WerkloosheidswetArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag van werknemer

Appellant maakte bezwaar tegen de beslissing van het UWV om zijn WW-uitkering geheel te weigeren wegens verwijtbaar werkloos gedrag. De rechtbank Groningen oordeelde eerder dat appellant zich zodanig had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad vond geen nieuwe feiten of argumenten die aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. De verklaring van de werkgever en de eerdere verzoekschriften werden als betrouwbaar beschouwd, en het gedrag van appellant werd door hem nauwelijks betwist.

De Raad concludeerde dat het verwijtbare gedrag van appellant voldoende grond vormde voor de weigering van de WW-uitkering en dat er geen aanleiding was om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar gedrag van appellant.

Uitspraak

05/3518 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 april 2005, 04/952 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout-en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellant is -met bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen ook voor de Raad uitgangspunt voor zijn beoordeling.
Het gaat in dit geding om de vraag of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel dat het Uwv bij zijn beslissing op bezwaar van 18 augustus 2004 (het bestreden besluit) op goede gronden heeft besloten het besluit van 17 juni 2004 te handhaven, waarbij hij te kennen heeft gegeven de WW-uitkering van appellant blijvend geheel te weigeren, omdat appellant zich jegens zijn werkgever zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en verenigt zich met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder naar voren is gebracht geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, zodat de Raad kan volstaan met een verwijzing naar dit oordeel. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe.
In de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het beeld van het functioneren van appellant dat door de werkgever is geschetst in het eerste door hem bij de kantonrechter ingediende verzoekschrift van 26 maart 2004, grotendeels niet juist zou zijn. De omstandigheid dat de werkgever in een latere versie van het ontbindingsverzoek appellant geen verwijten meer maakt, heeft, naar de Raad is gebleken, slechts te maken met het veiligstellen van het recht op uitkering van appellant. Uit de verklaring die de werkgever op 9 juni 2004 tegenover een medewerker van het Uwv heeft afgelegd komt niet naar voren dat de werkgever op zijn eerdere beschrijving van het functioneren van appellant terugkomt. De Raad heeft voorts in aanmerking genomen, dat hetgeen door de werkgever aan verwijten is neergelegd met betrekking tot het handelen, de houding en het gedrag van appellant door appellant nagenoeg niet is betwist.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.
(get.) H. Bolt.
(get.) S.H. Peper.
25/04
BdH