ECLI:NL:CRVB:2006:AX3057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet duurzaam gescheiden leven van echtgenoten
Appellante ontving vanaf september 1999 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. De gemeente Roermond startte een onderzoek naar een vermeende gezamenlijke huishouding met haar echtgenoot, wat leidde tot beëindiging en intrekking van haar bijstandsuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het criterium gezamenlijke huishouding onjuist was toegepast en dat de juiste vraag was of sprake was van duurzaam gescheiden leven.
Uit het onderzoek bleek dat appellante en haar echtgenoot samenwoonden, hij regelmatig aanwezig was, zorgde voor kinderen en een gehandicapte broer, en administratieve stukken op haar adres had. Appellante voerde aan de taal onvoldoende te beheersen tijdens het verhoor, maar de Raad stelde vast dat zij de Nederlandse taal voldoende beheerste.
De Raad concludeerde dat appellante niet duurzaam gescheiden leefde en daarom niet als ongehuwd kon worden beschouwd voor het recht op bijstand. Appellante had haar inlichtingenplicht geschonden door dit niet te melden, waardoor de intrekking van de bijstand terecht was. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand en veroordeelde het College in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante is terecht ingetrokken en beëindigd omdat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.