ECLI:NL:CRVB:2006:AW7301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- I.M.J. Hilhorst-hagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid rechtbank inzake herziening WAO-uitkering per 8 januari 2003
Betrokkene ontving sinds 1998 een WAO-uitkering die in 2001 bij besluit van appellant werd herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 mei 2000. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens herzag appellant bij besluit van 7 november 2002 de WAO-uitkering opnieuw per 8 januari 2003 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen deze herziening omdat het niet zou gaan om een heroverweging van het primaire besluit, maar om een nieuw primair besluit.
Appellant stelde in hoger beroep dat er geen belemmering bestaat om in een bezwaarprocedure een besluit te nemen over een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, ook als deze betrekking heeft op een latere datum. De Raad overwoog dat het bestreden besluit gebaseerd moet zijn op hetzelfde feitencomplex als het primaire besluit om binnen de grondslag en reikwijdte daarvan te blijven. Gezien de lange tijd tussen het onderzoek in 2001 en de herziening in 2003, en het ontbreken van nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek, kon niet worden gezegd dat de herziening nog gebaseerd was op het oorspronkelijke feitencomplex.
De Raad bevestigde daarom de onbevoegdheid van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- moet betalen. Er werd geen proceskostenvergoeding aan betrokkene toegekend.
Uitkomst: De rechtbank was terecht onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de herziening van de WAO-uitkering per 8 januari 2003.