ECLI:NL:CRVB:2006:AW3171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verhuizing werkgever
Appellante werkte als secretaresse bij Rijnconsult B.V., die in 2003 verhuisde van Velp naar Utrecht. Na haar zwangerschapsverlof weigerde zij haar werkzaamheden in Utrecht te hervatten vanwege de grote afstand tot haar jonge kinderen en de zorgplicht die zij voelde. Het UWV weigerde haar WW-uitkering omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden, mede omdat zij geen gebruik maakte van faciliteiten uit het Sociaal Plan, zoals het rekenen van reistijd als werktijd.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij verwijtbaar werkloos was omdat zij zelf om ontbinding van het dienstverband had verzocht zonder de geboden mogelijkheden te benutten. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat de reistijd excessief was en dat de zorgplicht haar verhinderde het werk te hervatten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad erkende het belang van de zorgplicht, maar stelde dat appellante redelijkerwijs haar werkzaamheden in Utrecht had moeten hervatten totdat zij ander werk dichter bij huis zou vinden. Zij had geen gebruik gemaakt van de hardheidsclausule in het Sociaal Plan en had niet geprobeerd met de werkgever tot een andere werkregeling te komen.
De Raad concludeerde dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden en dat het UWV terecht de WW-uitkering had geweigerd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd bevestigd op 5 april 2006.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden door het niet hervatten van haar werkzaamheden na de verhuizing van de werkgever.