ECLI:NL:CRVB:2006:AV9467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst op neutrale gronden
Appellant was werkzaam als timmerman bij een bouwbedrijf en werd met ingang van 1 maart 2004 ontslagen via een ontbindingsprocedure op neutrale gronden. Hoewel appellant aanvankelijk bezwaar maakte, stemde hij uiteindelijk in met de ontbinding en voerde slechts formeel verweer. De werkgever gaf wisselende motieven voor de beëindiging, waaronder bedrijfseconomische redenen en een verschil van inzicht over de werkwijze van appellant.
De rechtbank oordeelde dat een inhoudelijk verweer tegen het ontbindingsverzoek niet kansloos was, mede omdat beoordelingsformulieren en functioneringsgesprekken geen ernstige tekortkomingen in het functioneren van appellant aantoonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant onnodig heeft meegewerkt aan de beëindiging van het dienstverband door zich niet inhoudelijk te verweren.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de WW, omdat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting om te voorkomen dat de dienstbetrekking zonder gegronde reden eindigt. Er waren geen omstandigheden die deze verwijtbaarheid verminderden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.