ECLI:NL:CRVB:2006:AV9076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante was sinds 1999 in dienst bij Wilshire Associates Europe B.V. en ging per 1 februari 2003 gedeeltelijk werkloos met een dienstverband van 16 uur per week. De WW-uitkering voor de resterende 24 uur werd geweigerd omdat de werkloosheid verwijtbaar was. De rechtbank stelde dat onvoldoende was onderzocht of de werkloosheid niet in overwegende mate aan appellante viel toe te rekenen en gaf gedaagde opdracht dit nader te onderzoeken.
Gedaagde handhaafde het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden omdat geen bedrijfseconomische noodzaak voor beëindiging van het dienstverband was aangetoond. De toegekende vergoeding van € 75.000,-- en het feit dat een nieuwe werknemer werd aangenomen, wijzen niet op een slechte financiële situatie.
Appellante kon niet aantonen dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Haar beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 29 december 2004 tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid.