ECLI:NL:CRVB:2006:AV8695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en niet nagekomen inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1981 een nabestaandenuitkering die in 2002 met terugwerkende kracht per 1 juli 2000 werd ingetrokken omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. De rechtbank had deze intrekking bevestigd, waarna appellante in hoger beroep ging.
Zij erkende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding sinds juni 2000, maar betwistte de terugwerkende kracht van de intrekking en stelde dat zij haar verplichtingen steeds was nagekomen. Tevens voerde zij aan dat gedaagde onvoldoende had geïnformeerd over de betekenis van een kostgangersrelatie en traag had gehandeld.
De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht niet behoorlijk was nagekomen door onjuiste informatie te verstrekken over de aard van de relatie met haar partner. De betalingen van de partner werden niet als zakelijke vergoeding beschouwd, en de gezamenlijke huishouding was voldoende aangetoond. De Raad verwierp het beroep op beleid dat terugwerkende kracht zou uitsluiten bij correcte nakoming van verplichtingen.
Hoewel gedaagde traag had gehandeld, was het verwijt aan appellante ernstiger. De terugvordering was inmiddels voldaan. De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en niet nagekomen inlichtingenplicht.