ECLI:NL:CRVB:2006:AV8485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering op grond van Ioaw voor gewezen overheidswerknemer
Appellant, een voormalig verpleegkundige in een ambtelijke functie, heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van Groningen, wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de definitie van werkloze werknemer zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Ioaw.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant op 2 april 2001 werkloos werd en dat hij een kortdurende uitkering ontving op grond van hoofdstuk IIb van de Werkloosheidswet (WW), in plaats van de volledige uitkeringsduur van hoofdstuk IIa. Hierdoor voldeed hij niet aan de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van de Ioaw.
Appellant voerde aan dat hij op grond van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) als gewezen overheidswerknemer moest worden beschouwd, waardoor hij aan de Ioaw-voorwaarden zou voldoen. De Raad oordeelde echter dat appellant niet als gewezen overheidswerknemer kon worden aangemerkt omdat hij op 31 december 2000 niet in het genot was van bezoldiging, ziekte-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering of wachtgeld.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ioaw-uitkering bevestigd.