ECLI:NL:CRVB:2006:AV8485

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7211 NIOAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 IoawArt. 27 WWArt. 30 Wet OOWArt. 34 Wet OOWArt. 76 WW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitkering op grond van Ioaw voor gewezen overheidswerknemer

Appellant, een voormalig verpleegkundige in een ambtelijke functie, heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van Groningen, wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de definitie van werkloze werknemer zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Ioaw.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant op 2 april 2001 werkloos werd en dat hij een kortdurende uitkering ontving op grond van hoofdstuk IIb van de Werkloosheidswet (WW), in plaats van de volledige uitkeringsduur van hoofdstuk IIa. Hierdoor voldeed hij niet aan de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van de Ioaw.

Appellant voerde aan dat hij op grond van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) als gewezen overheidswerknemer moest worden beschouwd, waardoor hij aan de Ioaw-voorwaarden zou voldoen. De Raad oordeelde echter dat appellant niet als gewezen overheidswerknemer kon worden aangemerkt omdat hij op 31 december 2000 niet in het genot was van bezoldiging, ziekte-uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering of wachtgeld.

Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Ioaw-uitkering bevestigd.

Uitspraak

04/7211 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 november 2004, reg.nr. 03/995 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2006, waar voor appellant is verschenen mr. R. van Asperen, kantoorgenoot van mr. Van Dijk, en waar gedaagde zich, zoals tevoren bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft tot augustus 1992 als verpleegkundige gewerkt in een ambtelijke functie. Van augustus 1992 tot en met mei 1995 heeft hij een uitkering ontvangen op grond van een wachtgeldregeling. Aansluitend heeft appellant bijstand ontvangen aanvankelijk op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en vanaf 1 oktober 1996 op grond van de Algemene bijstandswet. Van 1 april 1999 tot 1 april 2001 heeft appellant gewerkt in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden. Appellant heeft van 2 april 2001 tot 10 september 2001 een kortdurende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen en van 10 september 2001 tot 9 september 2002 ziekengeld op grond van de Ziektewet. Met ingang van 9 september 2002 is appellant een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op 3 februari 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Bij besluit van 23 april 2003 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 2 van Pro de Ioaw.
Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellant voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van de Ioaw genoemde voorwaarde om te worden aangemerkt als een werkloze werknemer in de zin van die wet. Die voorwaarde houdt in dat de betrokkene na de dag waarop hij werkloos is geworden de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76 van Pro die wet moet hebben bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend geheel weigeren van de uitkering op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, van de WW van toepassing is.
De Raad stelt vast dat appellant op 2 april 2001 werkloos is geworden en dat hij ter zake van die werkloosheid niet in aanmerking is gebracht voor een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW. Appellant is immers ter zake van die werkloosheid in aanmerking gebracht voor een kortdurende uitkering bij werkloosheid als bedoeld in hoofdstuk IIb van die wet. Appellant voldoet derhalve niet aan de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 3, van de Ioaw genoemde voorwaarde.
Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 34 in Pro verbinding met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) als gewezen overheidswerknemer die het einde van de voor hem geldende duur van de uitkering op grond van de WW heeft bereikt voor de toepassing van de Ioaw geacht moet worden te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van die wet.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellant niet kan worden beschouwd als een gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OOW. In dat artikel wordt de eis gesteld dat de gewezen overheidswerknemer op de dag voorafgaande aan de datum met ingang waarvan de WW op grond van de Wet OOW of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van Pro de WW op de overheidswerknemer van toepassing wordt, uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidsheidswerknemer in het genot is van bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid of een wachtgeld. De Raad stelt vast dat de WW op 1 januari 2001 op de overheidswerknemer van toepassing is geworden en dat appellant op 31 december 2000 niet uit hoofde van zijn voormalig dienstverband als gewezen overheidswerknemer in het genot was van bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid of een wachtgeld. Appellant kon derhalve niet als gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 34 in Pro verbinding met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet OOW voor de toepassing van de Ioaw worden geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van die wet.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
TG10032006