ECLI:NL:CRVB:2006:AV7774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder vanaf 1 mei 2003 en bijzondere bijstand in eerdere jaren. Naar aanleiding van een melding dat zij samenwoonde met betrokkene, voerde de sociale recherche een onderzoek uit met verklaringen, observaties en buurtonderzoeken. Hieruit bleek dat appellante en betrokkene vanaf 1 juli 1999 een gezamenlijke huishouding voerden.
Gedaagde trok op grond van artikel 54, derde lid, WWB het recht op bijstand in voor de periode 1 juli 1999 tot en met 31 december 2003 en vorderde terugbetaling van ten onrechte ontvangen bijstand. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.
De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de door appellante en betrokkene ondertekende verklaringen, ondanks latere intrekking, en achtte de bevindingen van het opsporingsonderzoek betrouwbaar. Appellante had de gezamenlijke huishouding niet gemeld, waardoor zij onterecht bijstand ontving als alleenstaande ouder. De Raad oordeelde dat gedaagde bevoegd was tot intrekking en terugvordering en dat het teruggevorderde bedrag redelijk was vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van € 6.588,28 worden bevestigd.