ECLI:NL:CRVB:2006:AV4564

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2861 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72, vierde lid, AwbArt. 14, zevende lid, Abw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling executoriaal beslag bij terugvordering bijstand

Appellant werd geconfronteerd met vier besluiten van 26 juni 2002 waarin het College van burgemeester en wethouders van Groningen kosten van bijstand terugvorderde ter hoogte van €21.665,57. Appellant werd verzocht dit bedrag binnen dertig dagen terug te betalen en bij onvermogen een formulier in te vullen over aflossingscapaciteit. Bij brief van 19 november 2002 werd appellant gesommeerd alsnog het volledige bedrag binnen zeven dagen te betalen, met de waarschuwing dat bij uitblijven van betaling executoriaal (derden)beslag zou worden gelegd en kosten in rekening zouden worden gebracht.

Appellant maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar de Raad stelt vast dat deze mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, omdat het slechts een aankondiging betreft zonder rechtsgevolg. Hierdoor was het bezwaar ten onrechte ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigt het besluit van 12 maart 2003 voor zover het bezwaar tegen deze mededeling betreft en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Daarnaast veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak bevestigt dat aankondigingen zonder rechtsgevolg niet als besluiten kwalificeren en dus niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de mededeling over executoriaal beslag is niet-ontvankelijk verklaard en het besluit hierover vernietigd.

Uitspraak

04/2861 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 april 2004, reg.nr. 03/288 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 december 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij vier besluiten van 26 juni 2002 heeft gedaagde van appellant op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 21.665,57. Gedaagde heeft appellant daarbij verzocht om dit bedrag terug te betalen binnen dertig dagen na dagtekening van de betreffende besluiten. Gedaagde heeft appellant voorts meegedeeld dat indien appellant niet in één keer kan terugbetalen hij binnen twee weken na dagtekening van deze besluiten het bijgevoegd formulier "inlichtingen aflossingscapaciteit" dient in te vullen en terug te zenden.
Bij besluit van 19 november 2002 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij van appellant geen formulier "inlichtingen aflossingscapaciteit" heeft ontvangen en dat appellant binnen zeven dagen na dagtekening van dat besluit een bedrag van € 21.665,57 dient terug te betalen. Daarbij heeft gedaagde appellant erop gewezen dat bij het uitblijven van betaling binnen de gestelde termijn zonder nadere waarschuwing tot dwanginvordering van het verschuldigde bedrag zal worden overgegaan en dat in dat geval executoriaal (derden)beslag zal worden gelegd op de contanten waarop justitie in verband met een tegen appellant ingesteld strafrechtelijk onderzoek beslag heeft gelegd. Voorts is hem aangezegd dat in dat geval de kosten op grond van artikel 14, zevende lid, van de Abw aan appellant in rekening zullen worden gebracht.
Bij besluit van 12 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van
19 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
12 maart 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij zijn reeds in bezwaar en beroep naar voren gebrachte grieven herhaald.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank afdoende is ingegaan op de grief dat gedaagde niet zonder een nadere termijn te stellen mocht overgaan tot invordering ineens omdat appellant bij de besluiten van 26 juni 2002 niet het formulier "inlichtingen aflossingscapaciteit" heeft ontvangen. Hetgeen appellant hiertoe in hoger beroep nog heeft aangevoerd, geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
De Raad ziet zich voorts, ambtshalve, gesteld voor de vraag of gedaagde appellant terecht heeft ontvangen in zijn bezwaar voorzover dat is gericht tegen de mededeling in de brief van 19 november 2002 dat bij het uitblijven van betaling van het gevorderde bedrag binnen de gestelde termijn executoriaal (derden)beslag zal worden gelegd en dat de kosten daarvan in rekening zullen worden gebracht.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar het oordeel van de Raad kan de hiervoor bedoelde mededeling niet worden aangemerkt als een rechtshandeling. De enkele aankondiging dat bij niet tijdige betaling van het gevorderde bedrag executoriaal (derden)beslag wordt gelegd en dat de kosten daarvan in rekening worden gebracht is immers op zichzelf niet gericht op enig rechtsgevolg. Een rechtsgevolg is eerst verbonden aan de eventueel nader te nemen beslissing omtrent het leggen van executoriaal (derden) beslag en het in rekening brengen van de kosten daarvan.
Het bezwaar van appellant, voorzover tegen de betreffende mededeling gericht, was derhalve niet gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het vorenstaande brengt met zich dat gedaagde het bezwaar van appellant tegen de evengenoemde mededeling, ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Derhalve had de rechtbank het besluit van 12 maart 2003 in zoverre dienen te vernietigen.
Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 maart 2003 vernietigen voorzover gedaagde appellant heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen de mededeling in de brief van 19 november 2002 dat bij uitblijven van tijdige betaling van het gevorderde bedrag executoriaal (derden)beslag zal worden gelegd en dat de kosten daarvan in rekening zullen worden gebracht. De Raad acht voorts aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van appellant voorzover gericht tegen meergenoemde mededeling niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 maart 2003 voorzover gedaagde appellant heeft ontvangen in zijn bezwaar tegen de mededeling in de brief van 19 november 2002 dat bij uitblijven van tijdige betaling van het gevorderde bedrag executoriaal (derden)beslag zal worden gelegd en dat de kosten daarvan in rekening zullen worden gebracht;
Verklaart het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en
mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.