ECLI:NL:CRVB:2006:AV3025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet aanvaarden passende arbeid
Appellant was sinds 1995 werkzaam bij een werkgever en werd in 2002 ontheven uit zijn functie van sales manager vanwege kritiek op zijn functioneren. Hij kreeg een aanbod om terug te keren als account manager, wat hij bij brief van 6 november 2002 definitief afwees. Hoewel hij later tijdens een bespreking op 19 december 2002 zijn bereidheid uitsprak de functie onder voorwaarden te aanvaarden, was dit volgens de Raad slechts gericht op het treffen van een ontslagregeling.
De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2003, waarna appellant een WW-uitkering aanvroeg. Gedaagde weigerde deze uitkering blijvend geheel omdat appellant passende arbeid had nagelaten te aanvaarden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad dit oordeel.
De Raad overwoog dat de functie van account manager passend was, ondanks het gewijzigde variabele beloningssysteem dat mogelijk tot een inkomensdaling zou leiden. Het vaste salarisdeel bleef behouden en het variabele deel was vergelijkbaar met dat van andere Europese account managers. De Raad vond de beloning niet onredelijk of onbillijk, zodat appellant terecht werd geacht de passende arbeid niet te hebben aanvaard.
Daarmee voldeed appellant niet aan artikel 24 van Pro de Werkloosheidswet, en was gedaagde verplicht de WW-uitkering vanaf 1 mei 2003 blijvend geheel te weigeren. De Centrale Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens het niet aanvaarden van passende arbeid.