ECLI:NL:CRVB:2006:AV2997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitkering wegens geen recht op vakantierechtwaarden na faillissement werkgever
Appellant was werkzaam als timmerman en werd ontslagen wegens teruglopend werk, waarna zijn werkgever failliet werd verklaard. Appellant vroeg een WW-uitkering aan voor achterstallige vakantierechtwaarden, maar deze werd geweigerd omdat het dienstverband was geëindigd voordat de werkgever in betalingsonmacht verkeerde.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vanwege motiveringsgebrek, maar wees de uitkering alsnog af op grond van artikel 62 van Pro de WW. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel een causaal verband bestond tussen ontslag en betalingsonmacht en dat hij adequaat actie had ondernomen om zijn vordering te incasseren.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende voortvarend en gericht had gehandeld om zijn vordering voldaan te krijgen. Ook was er geen duidelijke samenhang tussen het ontslag en de betalingsonmacht van de werkgever. Daarom werd het oordeel van de rechtbank bevestigd en de uitkering geweigerd.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 22 februari 2006, waarbij de bezwaren van appellant werden afgewezen en het eerdere besluit werd bekrachtigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op uitkering wegens het ontbreken van een causaal verband en onvoldoende actie om vakantierechtwaarden te incasseren.