ECLI:NL:CRVB:2006:AV2562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering wegens vermeende eigen toedoen
Appellante, werkzaam als secretaresse/baliemedewerkster, kreeg na meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een aanbod voor een contract voor onbepaalde tijd. Zij bracht wijzigingen aan in het contract en vroeg om toelichting, waarna de werkgever het aanbod introk. Gedaagde weigerde daarop de WW-uitkering blijvend wegens eigen toedoen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante haar bedenkingen direct had moeten bespreken en niet zonder overleg wijzigingen had mogen aanbrengen, waardoor de werkgever het aanbod introk. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelt echter dat appellante de verplichting om passende arbeid te behouden niet heeft geschonden. De werkgever was tevreden en wilde het dienstverband voortzetten. Het intrekken van het aanbod zonder overleg was onredelijk en niet te verwachten door appellante. Daarom wordt het besluit vernietigd en moet gedaagde opnieuw beslissen, met aandacht voor het verzoek om wettelijke rente en vergoeding van kosten.
De Raad veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot terugbetaling van griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.