ECLI:NL:CRVB:2006:AV2442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WW-uitkering wegens onduidelijke informatie over aanvraagtermijn
Appellant vroeg een WW-uitkering aan met een aanvraag die pas op 27 december 2001 werd ingediend, terwijl de werkloosheid op 10 september 2001 was ingetreden. De uitkering werd daarom met 10% gekort wegens te late aanvraag. Appellant stelde dat hij niet wist dat de aanvraag bij het Lisv moest worden ingediend en dat hij tijdig contact had gezocht met het CWI. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat de aanvraag inderdaad te laat was ingediend, maar dat dit mede te wijten was aan onduidelijke informatie van het CWI en het UWV over waar de aanvraag moest worden ingediend. Appellant had begin november 2001 een aanvraagformulier ontvangen en was begin december 2001 met zijn raadsman naar het CWI gegaan, waar hem geen duidelijke instructies werden gegeven. Pas op 27 december 2001 werd de aanvraag bij het Lisv ingediend.
De Raad vond dat deze omstandigheden een verminderd verwijt aan appellant opleverden, waardoor de korting op de uitkering niet volledig terecht was opgelegd. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot korting op de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.