ECLI:NL:CRVB:2006:AV2054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als zelfstandig agrariër, heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAZ-uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.
De medische beoordeling door de verzekeringsarts concludeerde dat appellant naast voetklachten ook een nerveuze constitutie en lichte handbeperkingen had, maar onvoldoende arbeidsongeschikt was om voor de WAZ-uitkering in aanmerking te komen. De arbeidsdeskundige stelde dat appellant nog in staat was om met loondienstfuncties voldoende inkomen te verdienen.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, met name psychisch, waren onderschat en dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld vanwege de varkenspest die zijn inkomen negatief beïnvloedde. De Raad oordeelde dat er geen objectief-medische aanwijzingen waren voor ernstige psychische beperkingen op de relevante datum en dat de varkenspest als normaal bedrijfsrisico moest worden beschouwd. De vastgestelde referteperiode voor het maatmaninkomen was rechtmatig.
De overige bezwaren van appellant, waaronder het ontbreken van een reëel arbeidsmarkt aanbod en onvoldoende toelichting op passende functies, werden eveneens verworpen. De Raad bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en correcte vaststelling van het maatmaninkomen.