ECLI:NL:CRVB:2006:AV1843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- L. Jörg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten tijdens detentie langer dan zes maanden
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de doorbetaling van de vaste lasten van haar huurwoning gedurende haar detentieperiode van 19 juni 2003 tot en met 30 december 2003. De gemeente Utrecht wees deze aanvraag af op grond van het beleid dat bijstand voor doorbetaling van woonlasten alleen wordt verstrekt aan personen die naar verwachting korter dan zes maanden gedetineerd zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de huurachterstand haar in financiële problemen bracht, de detentieduur slechts beperkt de zes maanden overschreed en dat het besluit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 9 van Pro de Abw gedetineerden geen recht op bijstand hebben, en dat het college alleen bij zeer dringende redenen bijstand kan verlenen. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormden geen acute noodsituatie. Het beleid van de gemeente werd als buitenwettelijk begunstigend beleid gekwalificeerd, dat consistent was toegepast. Het onderscheid tussen korte en lange detentie berustte op objectieve en redelijke gronden, waardoor geen strijd met het gelijkheidsbeginsel bestond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor doorbetaling van huurkosten tijdens detentie langer dan zes maanden wordt bevestigd.