ECLI:NL:CRVB:2006:AV0689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 januari 2000 een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Uit dossieronderzoek, verklaringen van appellante en betrokkene en getuigenverklaringen bleek dat zij vanaf 1 januari 2000 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad hanteert het criterium van gezamenlijke huishouding zoals omschreven in artikel 3, derde lid, van de Anw, waarbij sprake moet zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging, waaronder financiële verstrengeling. De verklaringen van appellante en betrokkene tonen aan dat zij gezamenlijk zorg droegen, kosten deelden en elkaar verzorgden bij ziekte.
Appellante voerde aan dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 1 september 2001 bestond, maar de Raad vond hiervoor geen objectieve aanwijzingen. Omdat appellante niet voldeed aan haar inlichtingenplicht, was de Sociale verzekeringsbank bevoegd de uitkering met ingang van 1 januari 2000 in te trekken. Dringende redenen om hiervan af te zien werden niet aangetoond.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. De verklaringen zijn rechtsgeldig afgelegd en er is geen sprake van onaanvaardbare druk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 2000 wordt bevestigd.