ECLI:NL:CRVB:2006:AV0369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf mei 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een melding dat haar partner op haar adres was komen wonen, startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek. Dit onderzoek, inclusief huisbezoeken en gesprekken, wees uit dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden vanaf juli 1999.
De uitkering werd daarom met ingang van augustus 1999 ingetrokken. Hoewel het bezwaar deels werd gehonoreerd voor de periode na september 2002, bleef de intrekking voor de eerdere periode gehandhaafd. Appellante voerde aan dat haar partner als kostganger woonde en dat er dringende redenen waren om niet tot intrekking over te gaan, vanwege haar financiële problemen en de bekendheid daarvan bij het Bureau Schuldhulp.
De Raad oordeelde dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan, waaronder het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging. De vermeende commerciële relatie werd niet erkend, mede omdat de bijdrage van de partner niet als reële vergoeding kon worden gezien. De financiële problemen van appellante en haar vertrouwen in rechtmatigheid van de uitkering vormden geen dringende redenen om af te zien van intrekking. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.